De internationale betekenis van Cor Lammers in de organisatietheorie

Arndt Sorge

Universiteit Potsdam, voormalig Rijksuniversiteit Groningen en Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung

© Copyright 2011 Arndt Sorge. All rights reserved.

Opmerking vooraf: Deze paper schreef ik voor een conferentie van de Rijksuniversiteit Leiden ter nagedachtenis aan Professor Cornelis Lammers, in 2011. Nadat de schriftelijke versie was opgevraagd voor een conferentie bundel door de organisateurs, lieten deze zonder kennisgeving de intentie tot publicatie blijkbaar vallen. Omdat Cor dit niet verdiend had, bied ik de paper via deze weg aan -- AS.

Inleiding

Allereerst is een positiebepaling van de auteur aan de orde. Meer dan bij andere organisatiewetenschappers is bij Cornelis Lammers het denken gekenmerkt door de duitse bezetting in zijn jeugd, en de daaruit voortkomende belangstelling voor bezetting, rebellie en participatie. Hoezo schrijft dan een Duitser over de internationale betekenis van Cor Lammers? Ik zou proberen aan te tonen dat dit 'functioneel' is. Ikzelf leerde Cor op het EGOS Colloquium te Noordwijk aan Zee kennen, in 1979, en bij deze gelegenheid kwam ik ook EGOS binnen, de European Group for Organization Studies. Deze vereniging werd mijn belangrijkste referentiekader in de wetenschap – vakkundig, organisatorisch en menselijk. Toevallig werd ik ook, nadat ik 1988 op de Universiteit van Maastricht ging werken, een indirecte opvolger van Cor in twee functies: Als lid van 'Super-EGOS', de Coordinating Committee van de vereniging sinds 1985, en wel vanaf 1988 als lid vanuit Nederland, en als book review editor van het tijdschrift Organization Studies 1989, direct na Geert Hofstede. Door een onafgebroken verbondenheid met nederlandse universiteiten sindsdien, tot mijn pensioenering einde 2010, werd mijn geest a.h.w. 'door Nederland bezet', op een heel vreedzame manier. Bij deze doe ik 'mijn fiets terug': Mijn internationalisering liep sinds 1988 gelijk aan mijn integratie in Nederland; de openheid van Nederland voor internationale organisatietheorie en de internationaleit van mensen zoals Cor Lammers maar ook Geert Hofstede en alle vakgenoten in het land maakten dat werken aan de organisatietheorie in Nederland voor mij een verademing en een vervulling was.

Meer dan andere collegae heeft Cor vastgehouden aan een concept van organisatiesociologie, als een sociologie die naast de bedrijfskunde stond. Voor hem was sociologie nooit direct praktisch of normatief georienteerd. Aan de andere kant heb ik ook van hem in Maastricht kunnen horen dat hij een harmonische samenwerking van economen, bedrijfskundigen, sociologen en andere aan de organisatietheorie, zoals we die in Maastricht onder leiding van Hein Schreuder toen zeker hadden, plezierig en productief vond. Misschien speelden hierin ook zijn ervaringen in de omgang met de sociologie in Leiden een bepaalde rol. Harmonie in de samenwerking berust nooit alleen of vooral op de identiteit van een discipline, met name als die uitblinkt in paradigmatische verscheidenheid en differentiatie in thematische velden. Het EGOS Colloquium 1979 in Noordwijk, georganiseerd door Cor Lammers en Cas Vroom, werd op een paradoxale manier gekenmerkt door twee karakteristieken: Aan de ene kant stond de openheid voor theoretische diversiteit en de bijzonder prettige omgang van de deelnemers met elkaar, en aan de andere een ietwat conflictaire slotdiscussie, met een rebellie van de symbolische interactionisten tegen wat als een overheersende functionalistisch kader werd aangegeven. Daardoor werd Noordwijk de plek van een quasi-afscheiding, van de Standing Committee for Organizational Symbolism (SCOS), een lichaam dat vervolgens een eigen en rijk leven ging leiden. Ik zou niet beweren of kunnen staven dat de afscheiding iets te maken had met de nederlandse context. SCOS werd iets wat je als 'gereformeerde organisatietheorie' zou kunnen beschouwen, ondanks het feit dat SCOS op een losse en formele manier steeds als onderdeel van EGOS functioneerde en dat Cor zeker geen volgeling van SCOS werd; het volstrekte tegendeel was het geval.

Over de jaren stond me Cor Lammers, in gesprek of in de geest, altijd in vooral drie rollen op het internationale vlak voor ogen, die ik achter elkaar onder het voelicht wil brengen: Systematiseerder van de organisatietheorie, onderzoeker, en regent in de beste nederlandse zin van het woord, van georganiseerde activiteiten in de organisatie als wetenschappelijk vak. Ter afsluiting volgen een paar observaties over de persoonlijkheid en het karakter van Cor Lammers. Immers, ook sociologen moeten erkennen dat een succesrijke bundeling en ontwikkeling van de genoemde rollen een individu met de nodige eigenschappen vergen.

Systematiseerder van de organisatietheorie

Misschien is het in de sociale wetenschappen bij een gerijpte discipline onmogelijk om een synthese op te maken die door iedereen geaccepteerd wordt; zo ook in de organisatietheorie volgens een text over organisatiestructuur, al in 1993 geschreven door een voormalige student van Cor Lammers en medeorganisateur von het Colloquium te Noordwijk (Vroom 2002: 60). Desalniettemin zijn specifieke theoretische benaderingen, typologieen, vertrekpunten of resultaten bijzonder duurzaam. Dit zijn b.v. de socio-technische systeemtheorie, het symbolisch interactionisme van Karl Weick en in zijn gevolg het scandinavische institutionalisme, de contingentietheorieen over de samenhang van taakomgeving, configuratie, structuur en toonaangevende machtsgroepen van de Aston School, Burns en Stalker, Joan Woodward en Henry Mintzberg, het institutionalisme van Richard Scott en John J. Meyer, en andere meer. Niet altijd gaat het hier om organisatiesociologie, reden waarom ik de term organisatietheorie gebruik wanneer het om meer gaat dan alleen sociologie. Je zou zelfs sinds later in de zeventiger jaren van een wildgroei van aanpakken kunnen spreken, die van elkaar echter niet noodzakelijk heel erg verschilden. Hoe kunnen we die wildgroei enigszins overzichtelijk ordenen?

Ongeveer te gelijker tijd werden verschillende belangrijke benaderingen in kaart gebracht door Lammers en door Burrell en Morgan (1979). Bij de laatsten vinden wij twee onderscheidingscriteria van theorieen: één is ontologisch en het andere methodologisch. Het eerstgenoemde contrasteert theorieen die organisaties behandelen als systeem, als een functioneel samenwerkend geheel met duidelijke doeleinden, met theorieen die organisaties aanspreken als verband van 'partijen', d.w.z. machtsgroepen met eigen doelen die ze proberen op te leggen aan de organisatie. Met deze typering werden ook organisaties geplaatst op een continuum: functionele systemen met een onbetwist doel aan de ene kant, en verbanden met door partijen bevochten doelen aan de andere kant. Ook werd duidelijk gemaakt dat geen organisatie alleen volgens de ene logica of de andere kon functioneren; het ging om ideaaltypen volgens Max Weber. Dezelfde typering met ideaaltypen werd ook door Lammers (1983) voorgesteld, met zijn verschil tussen partijen- en systeemmodel. Deze typering werd heel fundamenteel, en wij vinden ze later terug in het institutionalisme van Richard Scott, hier ook vooral aanknopend aan de klassieke sociologie van Weber en op die manier geworteld in types van beheersing c.q. overheersing door een statelijke organisatie. Bij Scott was het uitgangspunt voor alle institutionalistische organisatietheorie de vraag: Cui bono? Dat is de vraag voor wie het allemaal nuttig is, dus de vraag na beheersende partijen, binnen de organisatie of daarbuiten, voor de stakeholders binnen en buiten. En dat is ook het aanknopingspunt voor de politieke economie; alleen is deze daar niet zeer bewust van.

Deze vraag werd bij Lammers bijzonder gedetailleerd en met nadruk uitgewerkt, en volgens de omgang met partijen- en systeemmodellen werden theorieen bediscussierd. De andere onderscheiding van Burrell en Morgan nam Lammers niet welwillend op; ze betrof methodologisch de vraag of organisaties als 'sociale feiten' naargelang Emile Durkheim 'zaken' waren, dingen op zich en in hun geaardheid los van de beschouwer of acteur, of dat ze alleen konden worden begrepen via de zingeving die acteurs aan hen besteden. Op zich beschouwd knoopten Burrell en Morgan hier ook aan bij Weber; hij had immers sociologie geconcipieerd als discipline die wilde 'begrijpen' (verstehen) met de bedoeling, vat op de feitelijk aan handelingen verbonden 'zin' te krijgen, terwijl Durheim hamerde op de uiterlijkheid van sociale feiten, als dingen.

Tenminste programmatisch zag Weber echter de feitelijkheid van sociale instituties als een munt met twee kanten: Aan de ene kant was er een sociaal gedeelde zingeving die in beginsel niet verschilde naargelang acteurs, aan de andere kant een zingeving die wel degelijk verschilde naargelang acteurs of groepen van acteurs en die in de tijd ook kon verschuiven. Hij maakte heel duidelijk dat elke sociale handeling en welke typering of institutie dan ook, altijd volgens de bedoelingen of zingeving moesten worden bekeken die acteurs hieraan verbonden. Thans zouden we zeggen dat een Durkheimiaans 'sociaal feit' dat inderdaad is, d.w.z. voorzien van intersubjectieve geldigheid en daarom ook sociaal tastbaar en niet alleen individueel, als mensen een collectief overeenkomstige idee veronderstellen. Dit hoeft niet in een ontologisch emphatische zin zo te zijn, maar het is zo als mensen dit collectief veronderstellen en dienovereenkomstig handelen. Karl Weick zou zeggen: Mensen ensceneren sociale feiten met elkaar. Zodanig verhoudt het zich tenminste volgens de Chicago School in de sociale psyschologie en de sociologie, van G.H.Mead, W.I. Thomas en andere, en via deze weg loopt de conceptuele brug tussen Durkheim en Weber. Sociale feiten hebben niet een eigen bestaansrecht omdat dit nu eenmaal zo is, maar omdat we met z'n allen sociale feiten als onbetwistbaar veronderstellen.

Grofweg kan worden gesteld dat Lammers vooral sociaal gedeelde zingeving op het oog had, een zingeving die het mogelijk maakte om instituties met een bepaalde uiterlijkheid te behandelen als een zaak die los stond van specifieke of verschuivende bedoelingen. Op die manier was het ook gemakkelijker mogelijk om een sociologie op te bouwen die macroverhoudingen in de grote samenleving en karakteristieken van grote sociale aggregaties, consequent institutionalistisch kon behandelen. Theoretici die de andere kant van de munt van instituties onder de loep namen, zoals constructivisten en sociale interactionisten, vielen daarom bij Lammers niet in de smaak. Schuivende bedoelingen waren hem zeker niet vreemd. Echter was hij niet dermate doordrongen van de precariteit van schuivende bedoelingen, en hij vond het misschien ook pretentieus hier theoretisch groot gewag van te maken. Als je schuiven of belangrijke verschillen in bedoelingen kon aantonen, dan was dat prachtig. Maar hij vond het wel een beetje gek om daar lang en breed over uit te weiden. Verder was hij, als gereformeerd opgevoede mens, opmerkelijk vast in de leer, en die leer was: Sociologie en sociale feiten dienden niet gereduceerd te worden tot bedoelingen van individuen; sociale feiten waren als zodanig behandelbaar omdat ze los stonden van de individuele bedoelingen en een geldigheid sui generis konden opeisen. Immers, als alle bedoelingen tussen individuen verschilden en over de tijd heen gingen schuiven, dan was er ook geen sociale orde en konden we beter meteen ophouden met elke dialoog, sociologisch of hoe dan ook. Dan waren we gauw klaar.

Deze rechtlijnigheid uitte zich al in 1979, in de slotdiscussie van EGOS Noordwijk, en ze droeg er zeker aan bij om de 'afscheiding' van de interactionisten en constructivisten duidelijk te maken. Zijn bedoeling was om een mooie colloquium af te sluiten met een opgewekte en constructieve slotdiscussie, zoals toen bij EGOS gebruikelijk, en wat kreeg je? Een afscheiding! Hier lag de gereformeerd opgevoede in strijd met de andere kant van zijn natuur, en die was buitengewoon inschikkelijk. Met zo'n conflict 'zit je'. Sindsdien had Cor Lammers aan dat soort theoretici, vooral als ze heel consequent en met zo veel woorden optraden, tendentieel 'een broertje dood'. Ze liepen het gevaar dat ze aan de borreltafel als 'halve gare' getypeerd werden, ondanks het feit dat het verschil puur aan de theoretische grondlagen vlinterdun was. Ondertussen is de afscheiding enigszins gerepareerd, door mensen zoals John Child, voortkomend uit de functionalistische contingentietheorie, die vervolgens zijn vrede maakte met het interactionisme; zijn betoog over strategie (Child 2002) is structurationist van aard, volgt Giddens met zijn duality of structure and agency, zonder zijn eerdere anlyse van strategische keuzes van organisaties en van partijen los te laten. Maar ondanks het vervagen van verschillen is de varieteit van benaderingen behoorlijk toegenomen. Lammers (1990) had een gemeenschappelijke kern van organisatietheorie over landen heen nog redelijk helder geidentifieerd, en hij had nationale bijzonderheden in theorievorming laten zien, op basis van een vergelijking van standaardliteratuur. Toen hij dat schreef was echter de genoemde 'afscheiding' allang gaande en werd een gemeenschappelijke kern, min of meer om de contingentietheorie omheen, steeds meer betwist. Stand van zaken was sindsdien een soort dierentuin van theorieen, zoals op een rij gezet b.v. in Clegg et al. (red., 1996).

De Weberse twee kanten van de munt werden eerst, Burrell en Morgan (1979) volgend met hun pleidooi voor tolerantie bij het uitwerken en toepassen van verschillende benaderingen, los van elkaar uitgewerkt. Maar die onlosmakelijke verbondenheid van de twee kanten is er toch, en er is een pragmatisch begrip gegroeid dat wat een andere stroming doet soms gek maar ook weer begrijpelijk is. Tenminste doen de mensen alsof het zo was en zijn ze de strijdlust vergeten of moe. Ikzelf pleit voor onderzoek en theorievorming die benaderingen vervlechten (Sorge 2006). De afscheiding is als niet gerepareerd dan toch ten minste glad gestreken, zoals in de protestantse kerken in Nederland als resultaat van de beweging Samen op Weg en de oprichting van de PKN ook. Lammers had er ondanks zijn rechtlijnigheid ook vroeger altijd na getracht, om op internationaal vlak gelijksoortigheden van ontwikkelingen in de organisatietheorie over landsgrenzen heen naar voren te brengen (Lammers 1990). Dit was in behoorlijke mate de geest van de zeventiger en tachtiger jaren, en die was enigszins oecumenisch: Mensen klommen boven hun nationale context van onderwijs en onderzoek uit en vonden elkaar in EGOS en op andere internationale congressen. Het streven naar algemeen geldige theorie deed wetenschappers in de eerste instantie zoeken naar waarin ze konden delen. Dit leverde ook een zekere mate van voldoening in progressieve voortvarendheid op: Eindelijk konden we die funeste erfenis van nationale zelfverzekerdheid en aggressiviteit, van oorlog en vernietiging, waarvan Nederland slachtoffer was en mijn thuisland de boosdoener bij uitstek, eindelijk konden we die nietsnuttige ouwe rommel achter ons laten.

In de tachtiger jaren leverde deze ontwikkeling een behoorlijke impetus op, in de richting van vergelijkende organisatietheorie en vergelijkend onderzoek. Het doorbreken van grenzen leek ook vakkundig gepaard te gaan met vergelijking, om elkaar ook beter te leren kennen en begrijpen. Terwijl vroeger organsiatieonderzoek veel meer clinisch van aard was, gericht op enkele organisaties die in de diepte onderzocht werden, zoals een gipsbedrijf door Gouldner, de Tennessee Valley Authority door Selznick, een koolmijn door Trist en Bamforth, een staalonderneming door Jacques, staatsbedrijven door Crozier en – ja ook dat! - een machinefabriek reeds door Weber, toen werd de systematieke vergelijking van organisaties, met name in grotere steekproeven, uitgeroepen tot orde van de dag. Het meest geciteerde werk van Lammers is de bundel Organizations Alike and Unlike, precies uit die tijd (Lammers en Hickson, red., 1979). Dit was ook een mijlpaal van europese samenwerking binnen het opkomende verbond van EGOS, en het was na een andere fundamentele bundel (Hofstede en Kassem 1976) de primeur in het genre organisatiestudies uit verschillende europese landen.

Aan de ene kant behelste dit internationale vergelijking. Steeds meer bleek dat organisaties naargelang landen van oorsprong en vestiging verschillend opgebouwd waren en functioneerden. Lammers (1981b) stelde toen dat de verspreiding van organisatietheorie en -onderzoek in de wereld zou leiden tot een onderuithalen van universalistische organisatietheorie! De voorspelling is niet slecht uitgekomen: Naarmate dat je organisaties dieper induikt, komt steeds meer naar voren wat de maatschappelijke factor in hun functioneren is. Op een wederom paradoxale manier kwam de impetus voor dit soort onderzoek ook voort uit oorlog, gevangenschap en bezetting. Bij Cor Lammers was dit zeker ook het geval. Mijn eigen meest belangrijke mentor, Marc Maurice in Aix-en-Provence, had in de oorlog in het verzet in de Vercors meegedaan, en de eerste directeur van zijn instituut, François Sellier, had zijn krijgsgevangenschap door gebracht als werker op een boerderij in Oost-Pruisen. Beiden hielden er een belangstelling voor Duitsland en voor vergelijking aan over.

Het ging echter niet alleen om internationale vergelijking. Vergelijken kon en moest je ook organisaties in een bepaald veld van activiteiten, in een industrie of een sector of anderszins afgebakend domein, en organisaties over domeinen heen. Een heel originele insteek van Lammers was nu de volgende. Organisatietheorie leek sterk overlappend met de arbeids-, industrie- en bedrijfssociologie, de politieke sociologie, de sociologie van overheidswerk en andere meer. De vraag was inhoever organisatiesociologie iets eigens had, of ze überhaupt nodig was of ondergeschikt aan andere subdisciplines. Het antwoord van Lammers was toen (1981b) heel duidelijk: Organisatietheorie is er voor om over domeinen heen, of zonder oogmerk voor de institutionele specificiteiten van domeinen, te verklaren hoe structuren en processen ontstaan en werken, en welke effecten ze hebben. Dat was het bestaansrecht van het vak, en het gaf ook aan waar je niet aandacht hoefde te besteden, namelijk de 'institutionele' bijzonderheden van de domeinen. Het klinkt keurig geconcipieerd en ordentelijk; we zullen zien of de auteur altijd volgens de indeling dingen onderzocht!

De idee was dat organiseren en organisaties zich in een moderne samenleving niet alleen overal voordeden maar ook gemeenschappelijke eigenschappen of wetmatigheden deelden, die je door middel van vergelijking over domeinen en samenlevingen heen moest zien te verkennen. Lammers leunde in zijn gedachtenvorming niet alleen aan tegen Weber, maar ook tegen de neokantiaanse achtergrond van Webers werk. Zoals hij (Lammers 1981a) betoogde, moest je de geesteswetenschappen onderverdelen in twee soorten: Aan de ene kant stonden disciplines die regelmatigheden en wetmatigheden probeerden te weten te komen, aangewezen als nomothetische; aan de andere kant had je disciplines die probeerden het specifieke van een samenleving, een periode, een organisatie, een markt, een bedrijfstak of iedere andere soort sociale configuratie goed in beeld te brengen en te verklaren, en dat deden de idiografische disciplines. Soms wordt dit woord verkeerd gespeld als 'ideografisch', maar het gaat helemaal niet om ideeen, of niet in de eerste instantie. De wortel van het woord idiografie (zie ook: idem, idioom, idioot) beklemtoont dat er iets eigens of specifieks af te schilderen en te verklaren valt.

Er waren zodanig twee soorten verklaringen: eentje op basis van algemene functionele regelmatigheden of wetmatigheden, en eentje op basis van specifieke omstandigheden. Ook het tweede kon een verklaring zijn, en dit moest je tegen de alom overheersende wetmatigheidsgekte in hardop zeggen. Idiografische wetenschappers zoals de geschiedskundigen verklaren gebeurtenissen vanuit plaatselijk of tijdelijk heel specifieke verstrengeling of confrontatie van belangen, allianties of percepties. Als je wilt weten waarom Douglas de toonaangevende farbikant in de burgerluchtvaart van de naoorlogse periode was, dan moet je kijken van wie het Amerikaanse leger in de tweede wereldoorlog transportvliegtuigen kocht èn wat Boeing net daarvoor deed, toen ze op de weg van verticale inegratie hun eigen concurrerend vliegtuig voor de Douglas DC3 alleen verkochten aan hun eigen luchtvaartmaatschappij, wat later United Airways werd. Voor Boeing was dat volstrekt verkeerd, voor de concurrent Douglas heel goed. Verticale integratie is voor organisaties soms goed en soms slecht; de tegengestelde effecten worden door concurrerende wetmatigheden omschreven, en je weet van te voren soms niet wat in een specifiek geval van toepassing is. De achtergrond van zo'n beslissing, voor of tegen verticale integratie, is heel specifiek, net zoals de verdere gevolgen. Idiografie is daarom niet alleen beschrijvend maar ook verklarend, en de economen en sociologen vergeten dit vaak. Lammers was het niet vergeten. Op z'n neokantiaans zou je zeggen: Iets specifieks verklaar je alleen door een bundeling van toepasselijke nomothetische theorieen, en het ligt niet voor de hand welke theorie van toepassing is, meestal gaat het om een bundel van gekoppelde nomothetische theorieen. Welnu, om te weten te komen wat in een specifiek geval in welke bundeling toepasselijk is, daarvoor heb je idiografie nodig.

Hieruit moge ook blijken dat idiografie en nomothetische wetenschap niet los van elkaar staan. Het ene soort wetenschap moet voortdurend de resultaten van de andere leren kennen en behartigen. Soms overlappen ze ook, zoals wanneer twee of meer historische gevallen worden vergeleken, wanneer het speurwerk zowel historisch als nomothetisch theorievormend van aard is. En dit is, zoals andere bijdragen ook laten zien, met name in het werk van Cor Lammers het geval. Want hij raakte steeds meer geboeid door vergelijkingen, over de organisatie van bezettingen, waarin organisatietheorie en -onderzoek net niet helder apart konden staan van politicologie, geschiedenis en bestuurskunde. Wat we hiervan leren is dat we nooit de verklarende waarde van idiographie en met name de geschiedenis mogen onderschatten, niet omdat ze iets los van wetmatigheden staan, maar omdat ze in beeld brengen welke concurrerende wetmatigheden van toepassing zijn. Het verschil tussen duitse bezettingspraktijken in de enkele landen wordt verklaard door de strategische intenties van de bezetter op grond van rassenideologie; in Noorwegen, Denemarken en Nederland probeer je 'rasgenoten' als meewerkende vrienden te winnen, in Polen en de Soviet-Unie voer je een vernietigingsoorlog om slavernij op te richten (Lammers 2003). De percepties en strategie van de organisateur bepalen welke wetmatigheden aangetapt worden.

Wij moeten daarom de les die ons het neokantiaans geinspireerde werk van Lammers liet zien nog verder uit rekken. Want ook bedrijfskunde is een vak met een oog voor het specifieke. In dit opzicht staat bedrijfskunde gelijker aan de geschiedenis dan de meeste collegae denken. Aangezet door ranking exercities, door evaluaties van programma's en mensen op een soort onderzoek waarvan de impliciete bedoeling is om wetmatigheden te weten te komen, wordt idiografie op een intellectueel lager pitje gezet. We worden verleid tot de illusie dat specifieke dingen door een algemene theorie dienen te worden verklaard. We hebben nu echter een hoop algemene theorieen, steeds meer verschillend naargelang principiele benaderingen en onderwerpen. Het gevolg is dat onderzoekers in steeds kleinere hokjes komen te zitten teneinde een algemeen geldige theorie voor dat hokje te ontwikkelen. Dat is niet wat Lammers wilde; maar toch hebben we een gebalkaniseerd landschap van theorieen. Af en toe komt iemand opdagen die hardop zegt dat een echt grondleggende algemene theorie er niet is, of iemand roept iets uit tot nieuwe algemeen geldige theorie. Thans is dat vooral een mengelmoes van evolutionaire, neuro- en gedragsaanpakken. Maar dat is onzin; een nauw ingeperkt fundament is er niet. Het kunstje bestaat er daarom in dat je de juiste combinatie, van theorieen die normaliter los van elkaar en concurrerend worden bekeken, opzoekt, aangepast aan de specifieke omstandigheden in een specifiek geval. Het fundament is dit kunstje. Daarnaast zijn er principiele vuistregels, latent tautologisch of met bedoeling, maar heel nuttig, zoals in de bedrijfskunde en de organisatietheorie resource dependency (Sorge 2006).

Internationaal is de scheiding van sociologie, business en management sowieso ongebruikelijk geworden. Nadat de laatste britse marxistische arbeidssocioloog was gaan werken op een business school en 'zijn ziel en zaligheid verkocht' had, zoals Cor glimlachend zou hebben gezegd, was organisatiesociologie een onderdeel van management geworden. In feite staat ook het werk van Lammers veel dichter bij de bedrijfskunde en de bestuurskunde dan hij vroeger zelf openlijk en expliciet toestond (Lammers 1981b). Er is natuurlijk steeds nog het verschil dat bedrijfskunde ook direct gericht is op normatieve inzichten, terwijl sociologie, tenminste volgens de opvatting van Lammers en de neokantianen, in de kern 'waardeneutraal' (wertneutral) moet zijn, d.w.z. niet bevooroordeeld door een onbetwiste overtuiging. Maar ook hier zou je kunnen vragen, en ik denk het antwoord is duidelijk, of het werk van Lammers niet net zo goed doortrokken en doordrenkt is van een diepe overtuiging van menselijkheid, als de bedrijfskunde is doordrenkt door het streven naar een tastbaar succes. Wie dan nog denkt dat menselijkheid ambiguër is dan het bedrijfssucces, die zal gezien de multipliciteit van verschillende en concurrerende succescriteria in de bedrijfskunde voor een kwade verrassing komen te staan. Je moet daarom ook niet kleven aan de termen die Lammers had gebruikt; je moet naar zijn feitelijk handelen kijken en de bedoeling hiervan zien te begrijpen.

Het beste voorbeeld hoe de toepassing van Lammers' systematiek in zijn eigen praktijk de systematiek zelve te buiten gaat, is de omgang met het partijen- en systeemmodel. Lammers (1983: 409) liet zien dat reeds een pionier in de organisatietheorie, Gouldner, een model van partijen-in-een -systeem hanteerde: Het systeem van de organisatie wordt door de uitkomst van partijenstrijd bepaald, en partijen hanteren een visie van wat het systeem is in wat ze doen. Dit is wat Willem Mastenbroek ook had laten zien, en hier hebben we een eclatant voorbeeld van sociologisch onderbouwde bedrijfskunde, waarbij de scheiding tussen sociologie en bedrijfskunde arbitrair en kunstmatig zou zijn. Dit komt neer op een heel algemene ervaring in de omgang met klassieke sociologen; reeds de discipelen van Durkheim gingen hun meester systematiek juist door consequente toepassing te buiten. En dat is wat ook wij met Lammers moeten doen.

We moeten zijn bewegingen in de theorievorming na trekken, in de geest van het omvangrijke werk, en de gevonden lijn doortrekken. Kort en bondig noemt men dit werken met de inspiratie. Hierbij doet zich echter een probleem voor. De engelstalige systematiek van Lammers, vooral in Lammers en Hickson (1979) en Lammers (1981a + b), doet ietwat dogmatischer aan dan de systematiek van Lammers (1983) en de volgende bewerkingen van het boek Organisatie Vergelijkenderwijs. Nadat ik de nederlandse taal had geleerd en het laatstgenoemde boek gelezen, vond ik dit veel meer een openbaring dan alles wat ik vooraf in het engels had gezien. Kon het zijn dat de meest waardevolle schriften van de auteur in de organisatietheorie in het nederlands verschenen en het internationale publiek ontgingen? Was dit allemaal vervolgens de bedoeling dat internationale publicatie in het engels het neusje van de zalm moest zijn?

De beslissende tegenstelling ligt mijns inziens in de omgang met de organisatietheorie in de twee talen. Lammers (1983) ontwikkelt de theorie, na het eerste en meer principiele hoofdstuk, vooral historisch in stappen. Daarbij wordt veel aandacht aan de historisch vigerende omstandigheden, in een samenleving en een tijdperk, van de bediscussierde auteurs en bijdragen besteed. Contextualisering van een bijdrage, binnen het wetenschapsveld, de samenleving en het tijdperk, is het vooraanstaande criterium van indeling en discussie, en pas op deze weg lijkt een verband met de algemene theorievorming goed aantoonbaar. Dat is een volstrekt andere procedure dan we vinden in de bekende angloamerikaanse standaardwerken, zelfs in de opeenvolgende edities van Richard Daft (2001), een boek dat in vergelijking met veel pot-boilers een meesterwerk aan gedetailleerdheid, diversiteit en intellectueel niveau is. Daft doet verslag over de nieuwste stand van inzicht en zaken, wel met vakkundige diepte, maar vooral naargelang sub-thematieken (organisatiedoelen, strategie, departmental technology, omgeving, enz.). Ik zou zelfs stellen dat dit soort boek niet te ontberen is om goed zicht op de organisatietheorie op enigszins geavanceerd niveau te krijgen. Wat de lezer hierbij niet leert is onderzoek en theorievorming te interpreteren tegen de specifieke achtergrond van wetenschap en samenleving op een bepaald moment, dus historisch en plaatselijk relativerend. Dit leer je bij Lammers juist wel.

De critici van de mainstream worden wel een beetje aan de kant gewerkt, minder intensief behandeld, tussen welwillend en laatdunkend, in de aard van: Die ethnomethodologen en neomarxisten doen heel critisch maar in feite hebben ze veel van de organisatietheorie die we ook goed vinden, dus: Ze koken ook alleen met water, ondanks die theoretische poeha. Maar vaak is het belangrijkste van een boek iets dat er niet letterlijk in opgeschreven staat, of minder uitvoerig. Dit is de subtext die er a.h.w. tussen de regels door staat. De subtext van dit boek van Lammers is in het kort: Voordat je denkt dat je de theorie te pakken hebt indien je genoegen neemt met wat hier staat, let op! Want de echt goede theorie is altijd iets dat je alleen approximatief bereikt, en je moet voorzichtig de uitspraken gedaan op basis van onderzoek zien in verhouding tot de context in plaats en tijd, nooit absoluut. En als je dit kunstje beheerst, dan kweek je in jezelf een half bewust theoretisch vermogen aan, een bron waaruit je kunt putten wanneer het gaat om het genereren van hypotheses, om voorlopige inzichten of om praktische toenadering tot een probleem. Dit lesje zou ik weleens ook de internationale lezer die niet het nederlands machtig is willen gunnen. Want op dit moment zit hij of zij min of meer midden in tussen theorie die expliciet en universalistisch voor de dag komt, zoals in Daft (2001), en een handboek met een hele rits verschillende benaderingen die los van elkaar in de aanbieding staan (Clegg et al., red. 1996). Voor diegene die niet zijn heil zoekt in een zeer specifieke benadering maar theorieen voor een bepaald probleem vernuftig relativerend selecteert en combineert, is Organisaties Vergelijkenderwijs geschikt als geen andere, als grondslag voor reflectie. Was het maar vertaald naar het engels!

Als slotsom van dit onderdeel bied ik aan: De systematiek van Lammers is meer open en dichter bij integratieve en acteursbenaderingen, en zelfs bij bedrijfskunde, dan zou kunnen voortkomen uit de meer programmatische artikelen in het engels. Op internationaal niveau is met name een contextueel relativerend betoog zoals het zijne nodig. Met deze kanttekeningen is de geest van de auteur steeds nog actueel, als die van een ordentelijke maar onorthodoxe functionalist die steeds nog inspireert.

De onderzoeker

Veel bekende schrijvers staan heel duidelijk een specifieke aanpak voor, en ze maken de aanpak waar in onderzoek dat er bij past en de aanpak onderbouwt of verder ontwikkelt. Silvia Gherardi staat voor symbolisch interactionisme en ze toont de waarde van de benadering aan, door de interactie van werkende mensen en symbolieke artefakten die in organisaties in gebruik zijn onder de loep te nemen. Michael Hannan en John Freeman staan populatieecologie voor en ze laten zien hoe vormen van organisatie zich in een domein of niche grootschalig verspreiden, inkrimpen, voortbestaan of verdwijnen. Scandinavische institutionalisten zoals Barbara Czarniawska en Nils Brunsson geven om sensemaking in processen en retoriek, en ze laten zien hoe processen en de discourse van acteurs het handelen in en van organisaties bepalen. Bob Hinings en Royston Greenwood analyseren het samenspel van strategie en instituties, en ze tonen aan hoe we in ondernemingen of de publike administratie en dienstverlening de organisatievorm en de uitkomsten kunnen verklaren. Erhard Friedberg is gericht op de dialectische verbanden tussen acteurs en systemen, en tussen macht en regels, en hij laat in case onderzoek zien hoe via die weg structuren en uitkomsten gegenereerd worden. Steeds is er sprake van een duidelijk profiel, geworteld in een fit tussen de benadering, de methodiek en het doelwit van onderzoek.

Bij Cor Lammers is het profiel van andere aard, en de fit is veel indirecter. Het is wel opvallend dat een auteur die aan de oorsprong duidelijk functionalistisch is, dermate gefascineerd raakte in onderzoek door dingen die mis gaan of tegendraads zijn. Zijn onderzoeksobjecten zijn bij uitstek dingen zoals muiterij, onderdrukking, bezetting, slavernij, vernietiging van mensen, participatie en medezeggenschap, conflicten en stakingen. De lezer moge me de opmerking nazien, gedaan door een duitser zoals a.h.w. door een lachende boer met kiespijn, dat Cor belangstelling voor alles toont waarin mijn vaderland heeft uitgeblonken. Het zou er op het eerste gezicht bijna op kunnen lijken dat de auteur voor de verkeerde benadering of de verkeerde doelwitten heeft gekozen! Andere auteurs die dit soort onderwerpen behandelen, zijn eerder verknocht aan politieke economie, symbolisch interactionisme of een megeling ervan, iets dat Burrell en Morgan 'radical humanism' noemden en waaraan Cor Lammers een broertje dood had, waar hij echter op een niet-programmatische manier aldoor heel dicht tegen aan zat.

Hoe komt dat? Het vertrekpunt van Cor Lammers was ten allen tijde het probleem van differentiatie en integratie in organisaties, en de dwang- en lokmiddelen die ze gebruikten om dit probleem op te lossen. Het ging hem altijd om een beheersing die overgaat of geworteld is in overheersing (Herrschaft, een term die door Marx en Weber allebei werd gebruikt, hoewel ze de termen verschillend afbakenden). Eigenlijk werd het dilemma van differentiatie en integratie het eerst nadrukkelijk uiteengezet door Lawrence en Lorsch, echte bedrijfskundige – zeg ik dan weer met een glimlach. Lammers gaf er een meer sociologische draai aan. Want het gaat hem om een beheersingsprobleem, een probleem van 'orde', iets dat ook het vertrekpunt van Talcott Parsons was. Het feit van alom aanwezige beheersing en overheersing, en de keuze voor gebruikte dwang- en lokmiddelen roept onmiddellijk het gevolg op van rebellie, passief of actief verzet.

Zodanig was de koppeling van functionalistische achtergronden aan organisatorische 'puinhopen' volstrekt consequent. Lammers had ondanks zijn functionalistische vertrekpunten grondig door dat organisaties niet altijd middelen gebruikten die functioneel voor het succesrijk bereiken van doelen op den duur waren. Een rondom functioneel draaiende samenleving moest hem onmogelijk of onwaarschijnlijk voorkomen. Via deze redenatie komt hij vervolgens rechtstreeks maar met een dialectisch scherpe bocht uit bij zijn favoriete onderwerpen. Een eerste constatering is daarom heel duidelijk dat hij veel meer dialecticus is dan zijn reputatie als functionalist toestaat, veel meer ook dan zijn ongemakkelijke verhouding met 'radicale humanisten', interpretatievelingen en neomarxisten deed vermoeden. Ik herinner me nog duidelijk hoe hij in een brief aan mij in 1980 schreef: Wil je dit niet nog een keer bedenken en herschrijven, want anders denken de mensen je bent een radicaal! Nu weet ik dat ik had moeten antwoorden: Dat ben je toch ook, alleen maak je daar niet veel expliciet gewag van. Als je zijn werk in samenhang ziet, dan is dit eigenlijk zijn leiddraad: Het alom aanwezige streven naar orde leidt tot wat op het eerste gezicht op wanorde lijkt; dat is fascinerend en daar moet je mee rekening houden.

Met zijn artikel (Lammers 1969) in Administrative Science Quarterly, over stakingen en muiterijen, was echt pionierswerk verricht. Het liet zien dat dit soort gebeurtenissen heel erg verschilden naargelang hoe ze het 'psychologisch contract', zoals het nu wordt genoemd, tussen organisatieleden en de organisatie raakten, inhoever de legitimiteit van de organisatie of alleen bepaalde handelingen geraakt was, de middelen die gebruikt werden, hoe de oorsprong van het conflict waren en de gevolgen niet alleen voor een organisatie maar ook structuren van de maatschappij. Daarbij kon hij ook aanknopen bij wat Lewis Coser, ook een conflicttheoreticus in de marge van het functionalisme, had te zeggen over de integratieve effecten van stevige conflicten. Toentertijd konden stakingen en muiterijen zich nog verheugen in de belangstelling van de 'gewone' organisatietheorie. Het onderwerp van rebellie is in de tussentijd nooit losgelaten, en is zelfs actueel bij auteurs zoals Courpasson en Thoenig, en bij organisatiesociologen in Lancaster. Alleen in ASQ zou het nu minder goed mogelijk zijn om dit onderwerp te plaatsen. Rebellie is het doelwit geworden van 'radicale humanisten' met een qualitatieve methodologie. Ook dit is een samenhang die het uit elkaar driften van benaderingen en publicatiestijlen verklaart: Hoe meer je een bepaald fenomeen onderzoekt, hoe meer ben je geneigd om een keuze te maken tussen qualitatieve verdieping en verbreding onder hulp van standaardisatie en grotere steekproeven. Via deze wegscheiding komt precies hetgeen in het gedrang, waaraan Lammers aldoor hechtte, namelijk institutionalistisch uitgediepte vergelijking van een reeks vernuftig geselecteerde gevallen. Dit zit er tussen in, en het heeft een andere logica.

Een geheel andere primeur, in Lammers (1988), ook in Administrative Science Quarterly, was over de 'interorganizational control of an occupied country'. Dit was alleen het begin van publicaties over bezettingen. Uit de optiek van de organisatietheorie wil ik alleen toevoegen dat het artikel bijzonder provocerend was omdat de bestaande gedachtevorming over het reilen en zeilen van organisaties op zijn kop gezet was, zonder dat er veel werk van gemaakt werd. Eigenlijk zijn volgens de theorie organisaties functioneel specifieke delen van de samenleving. Ze worden maatschappelijk ingekaderd en in hun functioneren voorzien van een raamwerk, door de samenleving en met name zijn staatkundige inrichting. De samenleving is a.h.w. compleet, bevat alle aspecten van het leven, terwijl een organisatie er alleen een deelaspect van kan bestrijken. Als een samenleving 'gerund' wordt door een interorganisationeel netwerk dat ten groten dele buiten de samenleving staat, dan is er volgens de theorie is goed mis. In de praktijk was er natuurlijk ook iets goed mis, en dit is zeker deel van de boodschap. Weliswaar waren toen multinationale ondernemingen ontdekt, als organisaties die zich aan de controle van een samenleving konden onttrekken, en die ook aan bepaalde landen hun wil konden opleggen. Echter, dat het reilen en zeilen van een hele samenleving van boven af, en niet alleen voor een specifiek doel zoals winstbejag, via de samenwerking van functioneel specifieke organisaties en gedeeltelijk buiten de politiek om werd bepaald, dat was organisatietheoretisch provocerender dan toen gezien.

De thematiek is natuurlijk een variant op de gedachte die Cor Lammers altijd fascineerde, dat organisatie om beheersing en overheersing draaide. Hier ging het heel duidelijk om overheersing, veel mer nog dan bij vraagstukken van organisaties als delen van de samenleving. Men ziet ook wat misschien meespeelde bij de scheiding tussen organisatiesociologie en bedrijfs- of bestuurskunde die Lammers programmatisch nooit losliet; mijn hypothese is dat net de overheersingskant van het organisatieleven, en het feit dat die kant ook qua belevenis van de auteur fundamenteel was en geassocieerd met de duitse bezetting, maakten dat een praktische vertaling van de theorie niet voor de hand lag. Immers, een praktische theorie over hoe men een bezetting diende te organiseren – je zou er niet aan mogen denken. Heeft dit ook uitgestraald op minder problematische toepassingen van de organisatietheorie? We weten het niet zeker.

Mijn speculatie is desalniettemin dat de auteur, ook omwille van eigen ervaring, een afkeer had van technokratische toepassing van organisatietheorie. Dat hij in zijn latere jaren steeds meer terug kwam op de bezetting, ondanks dat de biografische ervaring steeds verder terug was, laat zien hoe formatief bepalend de belevenis moest zijn geweest. Als insider in OS weet ik ook dat Cor zelf aan het tijdschrift aandroeg dat hij graag een boek van Wolfgang Sofsky over de organisatie en de leiding van concentratie- en vernietigingskampen in Duitsland wilde bespreken. Er verscheen toen een buitengewoon toegeweide book review essay, d.w.z. meer dan een gewone review (Lammers 1995). Nog een laatste opmerking over het artikel Lammers (2003), over bezetting vergelijkenderwijs in Organization Studies: Dit artikel haalde net niet de Roland Calori Prijs maar belandde op de tweede plaats. Dit is een prijs die tweejaarlijks verleend wordt door het tijdschrift Organization Studies, voor het beste artikel over twee verleden jaren. Ook dit laat zien dat Cor zelfs op latere jaren in EGOS in hoge mate en voor meer werd gewaardeerd dan in het verleden bewezen diensten. De auteurs van het wel bekroonde artikel hebben toen echt geboft.

Een derde reeks van onderzoeksbijdragen die ik wil noemen, begon met Lammers (1967), ook redelijk vroeg, en ging over participatie en medezeggenschap. Ook hier is te zien dat deze belangstelling onmiddellijk voortvloeide uit de fascinatie met het beheersingsvraagstuk. De auteur toonde toen al aan dat beheersing zowel uit het oogpunt van legitimatie als omwille van effectiviteit de volgende vraag oproept: Hoe en in welke mate is beheersing gekoppeld aan de instemming en medewerking van de onderworpen organisatieleden? De functionalistische gedachte is namelijk: De differentiatie van vormen van deelneming (eigendom vs. betaald werk, dispositieve vs. uitvoerende functies, verschillende beroepen, enz.) roept de noodzaak van integratieve mechanismes op. Vaak moeten mensen participatie en medezeggenschap opeisen, omdat de beheersers er niet in voorzien. Vaak wordt de medezeggenschap in organisaties via de politiek, dus door overheersing, tot stand gebracht. Ze heeft wel een duidelijke functionaliteit, ook al zie je die soms pas achteraf. Dit klinkt weer functionalistischer dan bij veel theoretici van medezeggenschap in de smaak valt. Kon je medezeggenschap nauw verbinden aan het effectief functioneren van de organisatie? Had de mens in zijn behoefte niet een eigen waarde, buiten de effectiviteit? Voor de gedachtenvorming van Lammers is zeker de eigen belevenis niet onbelangrijk geweest. Toen de duitse bezetting beeindigd werd, raakte ook het functioneren van veelal nederlandse bedrijven in problemen. Leidingen die in de duitse oorlogseconomie hadden moeten coöpereren werden gediscrediteerd, en ook economisch stortten bedrijven samen met de duitse oorlogseconomie in elkaar. Toen vormden werkers spontaan of georganiseerd door vakbondsleden 'kernen' van onderop, ten einde de zaak enigszins draaiende te houden, belangen van de werkers te vertegenwoordigen en nieuwe doelen voor de organisatie te definieren. Het menselijke vraagstuk overlapte in de historische situatie heel sterk met het effectiviteitsvraagstuk, en de dialectische tegenhangers, beheersing en participatie, leken juist op dat moment functioneel aan elkaar gekoppeld.

In dit fundamenteel artikel dacht de auteur ook intensiever na over macht in organisaties. De gedachte dat macht in organisaties door medezeggenschap kon worden herverdeeld was al vertrouwd. Onderzoekers zoals Arnold Tannenbaum waren er reeds empirisch op ingegaan; toen leerde je in de organisatietheorie 'control curves' kennen, waarmee de mate van macht op verschillende hierarchische niveau's op basis van onderzoek met vragenlijsten werd geschetst. Lammers voerde nu uit dat het niet alleen maar ging om machtsverdeling binnen organisaties, maar ook om de macht van de organisatie als geheel. Bepaalde verdeling van macht binnen de organisatie zou ook in een functionele relatie kunnen staan met de macht van de organisatie als geheel! Ook dit was een provocerende gedachte. Ze gaf natuurlijk de gedachtevorming over medezeggenschap een zekere draai, want participatie zou geassocieerd kunnen zijn met het vermogen van de organisatie om doelen daadkrachtig te bereiken. Met deze bijdrage begon het nadenken over concepten die niet uitgingen van een zero-sum spel over macht in organisaties, maar van de mogelijkheid van een positive sum spel. De gedachte viel in bijzonder vruchtbare aarde bij Veljko Rus, iemand met een verzetsverleden, als baas van de jeugdbeweging van het joegoslavisch verzet onder Tito.

Waarom noem ik Veljko Rus? Uiteindelijk mondde de belangstelling van Lammers voor medezeggenschap uit in een van de belangrijkste internationaal vergelijkende onderzoeksprojecten die we in Europa kennen, toen was Joegoslavie een soort gidsland voor verstrekkende medezeggenschap, en hier kwam Rus in beeld. De samenwerking in het verbond Industrial Democracy in Europe Research Group (IDE) is niet dermate zichtbaar geassocieerd met de naam Lammers, en wie de naam 'googelt', zou er nooit op komen. Ik stel dat het een van de meest belangrijke bijdragen van Lammers is. In de zeventiger jaren rees er in de Europese Gemeenschappen – zoals die toen heetten, de Europese Unie was er nog niet – de vraag hoe men bij de harmonisering van het vennootschapsrecht (5de richtlijn, over naamloze vennootschappen, en het statuut voor een Europese Vennootschap) moest omgaan met verschillende nationale systemen van arbeidsverhoudingen en medezeggenschap. Bernhard Wilpert bracht toen een internationaal gezelschap van onderzoekers bij elkaar, teneinde instituties en het werken van medezeggenschapsorganen te onderzoeken. Hierin namen voor Nederland Cor Lammers, Pieter Drenth en Erik Andriessen deel.

Dit internationale gezelschap had 23 deelnemende onderzoeksgroepen uit hetzelfde aantal landen; het leverde twee centrale bundels op, één met een beschijving en vergelijkende analyse van medezeggenschapsinrichtingen binnen ondernemingen in de landen (IDE 1981b), en één gebaseerd op vragenlijstonderzoek, over de invloed van de instituties op machtsuitoefening in de landen (IDE 1981a). Dit vragenlijstonderzoek werd gedaan in speciaal geselecteerde bedrijven, zodanig geselecteerd volgens grootte en techniek van productie en dienstverlening dat steeds soortgelijke bedrijven over de landen heen onderzocht konden worden. In totaal namen er 134 bedrijven deel, met totaal 7000 repondenten, geselecteerd en geanalyseerd volgens de benadering van matched pair vergelijking. Ik had als collega van Bernhard Wilpert – ook hij is overleden, in 2007 – en van Malcolm Warner – van de britse ploeg – in de tweede helft van de zeventiger jaren van dichtbij een tijdje meegezien wat het inhield om dit soort werk te coordineren en uit te voeren. Teneinde vergelijkbaarheid te waarborgen is een nauwkeurig gecoördineerde en betrouwbare samenwerking van de onderzoeksgroepen in de verschillende landen hard nodig. Dit te coördineren, onder onderzoekers, in de wol geverfde eigenwijze individualisten, is echt vlooien hoeden. Bernhard vertelde me dat zijn moeilijkste moment was toen, na een koffiepauze, hij tegen het gezelschap riep „ok, back to work please“, en een isrealische collega, geboren uit een duits gezin en onder het nazisme gevlucht met zijn joodse ouders na Israel, tegen hem glimlachend zei: „Ja, Arbeit macht frei!“ Dat is de onheilvoorspellende motto over de poort van het concentratiekamp Auschwitz.

Ook hier werkte het gruwelijke verleden na. Maar het werkte, als de slachtoffers zagen dat de zonen van de daders het overwonnen hadden, op een eigenaardige manier met bindende kracht. Ook dat was een van de integratieve krachten die toen op een onuitgesproken manier, maar veel sterker dan oppervlakkige diplomatieke beleefdheid en wetenschappelijke zakelijkheid, zorgden voor het samenwerken in groter verband. De discipline was zelfs in de publicatiefase indrukwekkend consequent. Het clubje hield zelfstandige publicatie van landelijke ploegen over gezamenlijke resultaten tegen en was daar behoorlijk succesrijk in. Alles wat er over de gezamenlijke resultaten te lezen is staat in de boeken en onder het auteurschap van IDE; een collectief project met hechte samenwerking in een naamloze gemeenschap. Pieter Drenth zorgde wel voor discipline.

Als je naar de resultaten kijkt, dan is het verbazing wekkend hoezo die niet vaker aangehaald worden. Op zich is er geen echt 'nieuwe theorie' te verkennen. Maar toch, het is niet vanzelf sprekend dat participative structure (formeel vastgelegde, maatschappelijk gestandardiseerde rechten) in de vergelijking uitkomen als de belangrijkste oorzaak van de mate van invloed van praticipatieve organen in de onderzochte bedrijven. Multivariate analyse kon dit duidelijk aantonen, en de emprische achtergrond van de analyse was fatsoenlijk als geen andere. Je kon beginnen te mitsen en maren over de manier van verklaring, je kon eisen om het allemaal steeds nog gedetailleerder ui te voeren. Toch was het een belangrijk resultaat, naast vele andere, dat onafwijsbaar was en uitnodigde tot verdere gedachtevorming. Blijkbaar was de maatschappelijke context van het handelen in bedrijven, zoals bij het vormgeven aan op zich formele en potentieel oppervlakkige voorschriften en bij het waarnemen van wat vertegenwoordigers deden en bereikten, blijkbaar was die context dermate belangrijk als sociologen steeds vermoedden.

In deze gedachte vond ik ook Lammers aantrekkelijk, want toen werkte ik met collegae aan een benadering van het 'maatschappelijk effect' (zie b.v. Maurice et al. 1980; Maurice en Sorge, red., 2000). In feite zaten we dicht bij elkaar. Aan de andere kant stoelde de benadering op een dualiteit van instituties en acteurs zoals we die ook van Giddens kennen, en van Crozier en Friedberg in de organisatietheorie. Hierbij maakten we toch wat veel gebruik van 'radicale humanisten', van auteurs met 'de franse slag' zoals Alain Touraine en Pierre Bourdieu. Want dit maatschappelijk effect was niet een effect van 'de maatschappij' op de ondergeschikte organisatie of handelende mensen; het effect bestond in een voortdurende interactieve en zelfs wederzijds constitutieve verhouding tussen acteurs en verspreide instituties, en tussen functioneel gedifferentieerde zindomeinen van de samenleving. Dat bracht ons binnen de kring van interpretatievelingen, neomarxisten en symbolische interactionisten, het soort mensen waar Cor vooral sinds Noordwijk 1979 een broertje aan dood had. Vandaar ook zijn opmerking dat ik voorzichtig moest zijn om me niet gelijk te maken met de radicalen. Ik denk dat zorgde voor een zekere afstand in de gedachtevorming, ook in verhouding tot IDE als geheel. Hoe dan ook, als wetenschapper moet je leren om mensen en hun aanpak te waarderen buiten wat je zelf als je eigen identifiëert. In de resultaten en de onderzoekspraktijk zaten we heel dicht bij elkaar, net zoals anders denkende buren aan dezelfde kant van de sloot. Ook vermaande me mijn medeauteur Marc Maurice – ook hij overlden, in 2011 - soms dat ik niet te oecumenisch moest doen met die functionalisten zoals Lammers. Zonder richtingstrijd kan wetenschap blijkbaar niet. Subjectief voelde mijn positie echter niet aan als een van 'met de hakken over de sloot'.

Na dit kleine historische uitstapje naar een persoonlijk belangrijk raakvlak, nu terug naar waarom IDE (1981a+b) vervolgens niet tot een klassieke en massaal aangehaalde bron ontwikkelde. 'De context' in de theorie was nationaal, en met de tachtiger jaren was de algemene belangstelling voor medezeggenschap geleidelijk aan tanende. De nieuwe noemers van onderzoek werden individualisering, internationalisering, globalisering. Ideologisch bekeken leek medezeggenschap opeens als een overblijfsel van een verzuilde samenleving waarin collectieve organisatie van belangen door kerken, vakbonden en ondernemingsraden iets voor de minder geemancipeerde leden was, die niet zelf voor hun rechten konden opkomen. Joegoslavie, het gidsland van participatie met de grootste invloed van de participative structure op beslissingen van de ondernemingen, ging teloor in burgeroorlog. Op deze manier verklaar ik ten dele dat IDE niet meer waargenomen wordt als blijvende erfenis van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Als je't vandaag de dag de studenten voorschotelt, zijn ze gedeeltelijk onder de indruk maar ze halen ook een beetje de schouders op. Het resultaat was interessant, maar veel mensen dachten dat de wetenschap en de sociale vooruitgang daar over heen moesten gaan. Zo is de wetenschap helaas ook heen gegaan over een International Yearbook for Organizational Democracy, mede uitgegeven door Cor Lammers.

Steeds vind ik het jammer hoe veel minder provocerende en minder degelijk gestaafde uitspraken van onderzoek met duizenden citaten beloond worden. Zelfs als bedrijfskundige, een rol waarin ik op nederlandse universiteiten met genoegen gedurende twaalf jaar heb gefunctioneerd, vind ik het voor bedrijfsvoering bijzonder belangrijk. Want de bedrijfsvoering moet steeds bewust zijn dat sociale relaties binnen de onderneming ingekaderd zijn in een maatschappelijke context. Misschien zit die nu ingewikkelder in elkaar, maar hij is er toch. Misschien is zelfs in de praktijk dit inzicht, na de funeste rampen die de financialisering onder het mom van globale interdependentie ons heeft beschoren, beter aan het groeien dan bij veel sociologen. Getuige hiervan is de ervaring en conceptualisering die Rienk Goodijk (2008), als wetenschapper en bedrijfsadviseur, recentelijk ontwikkelde, onder de noemer: Herwaardering van de Rijnlandse principes.

Rijnlandse principes is een term van Michel Albert, een Fransman, die hij dacht verwezenlijkt te zien bij de ooster- en noorderburen van Fankrijk, en het gaat niet om de vrolijkheid die men in 'Bourgondie' en 'bezuiden de rivieren' zou kunnen vinden. Het gaat om serieuze inachtneming van de belangen en rechten van anderen, binnen en buiten een organisatie, tussen capitaal en arbeid, en om de vertikale verbondenheid van beheersers en beheersten, qua loopbaan, cultuur en functiebeoefening. Rijnlandse principes zijn iets waarin Nederland en Duitsland delen; ze zijn niet uitgevonden in de naoorlogse situatie die ik al noemde, in de ineenstorting van een onderdrukkings-, uitbuitings- en veroveringseconomie waarin wij – duitsers – toen Nederland hadden gedwongen deel te nemen. Weliswaar had de ineenstorting van economie, staatkundige organisatie en moraal op dat moment medezeggenschap in Nederland en Duitsland stevig bevorderd, maar het ging om een stevige actualisering.

Ik verwacht niet dat het werk van IDE, waarin de gedachtevorming van Lammers in zekere zin empirisch bekroond werd, nu massaal gaat aangehaald worden. Omstandigheden zijn er nu toch wat veranderd. Aan de andere kant had Lammers altijd veel meer effect door inspiratie. Zijn neiging tot historische concreetheid perkte de generaliseerbaarheid van bevindingen, in algemene uitspraken buiten plaats en tijd, ietwat in. Dit soort uitspraken verheugen zich in de aandacht van wetenschappers, geteisterd door evaluaties op impact via veel geciteerde engelstalige tijdschriften. Het onderzoek van Lammers deed de nadenkelijke lezer aan het denken, en uit dit denken kwam inspiratie tot nieuwe dingen voort, ergens tussen concreetheid en abstractie. Het ging niet om strakke deductie zoals assistenten in opleiding op een nieuwerwetse graduate school die moeten leren. Dit is niet onbelangrijk, maar voor een creatieve wetenschapper en ook voor een op verlichte manier creative bedrijfskundige in de praktijk, is steeds nog meer nodig.

De regent in de Europese vakgemeenschap

In IDE had Cor Lammers volgens getuigen steeds een theoretisch inspirerende, maar ook beminnelijk bemiddelende rol. Hij leek een voorbeeld van de vereniging van instrumentele en expressieve leiderschap, in de termen van Fred Fiedler. In mijn belevenis is het een type die misschien vooral in een persoon gegrond moet zijn, maar dit soort type wordt ook aangewakkerd in een sociaal milieu. Na mijn eigen vernederlandsing ben ik er bij uitgekomen dat het om 'de regent' gaat, voortgekomen uit koopmansgildes en stadsbesturen, wel beheersend maar ook met een aanleg tot verstandhouding. Een regent is qua cultuur van omgaan en taakopvatting verwant aan de britse gentleman, in een club, die met zijn peers ontspannen en inschikkelijk moet omgaan. Want anders wordt je 'met de nek aangekeken'. Cor was het inschikkelijke type regent in IDE, terwijl zijn landgenoot Pieter Drenth een andere type regent belichaamde.

Dit precies was ook hoe ik Cor in zijn rol in EGOS waarnam. EGOS was in wezen opgetrokken en geleid volgens de beginselen van een britse gentlemen's club. Dit model was blijkbaar ook op internationaal niveau het meeste geschikt om mensen uit verschillende landen bij elkaar te brengen – beleefd en vermakelijk, los van de alledaagse beslommeringen van het academisch thuisfront in de enkele landen, paradigmatisch open en zonder veel oogmerk voor universitaire statusverschillen. Een inschikkelijke 'regent' is ideaal als fit ten opzichte van een gentlemen's club, en daarom is het ook goed verklaarbaar dat ik David Hickson vaker samen met Cor zag optrekken. In EGOS ging het om de zaak van onderzoek, en je leerde er meer mensen kennen, op een ontspannen manier, dan waar dan ook. Voor mij was EGOS Noordwijk een eye-opener. Dat lag er natuurlijk ook aan dat toen de gevechten om banen, loopbanen en onderzoeksmiddelen vooral nationaal gestructureerd waren, nog meer dan nu, met de bijkomstige kenmerken van tactische terughoudendheid, partijdigheid en vooringenomenheid in de strijd van paradigmatische bloedgroepen, in de meer nationale verenigingen. En er was het beginsel dat je in een workshop moest zitten en de gemeenschap van de workshop gedurende de Colloquium getrouw blijven, teneinde elkaars papers te bediscussieren. Zelfvertoon en opportunisme werden in toom gehouden.

Dit was een geheel andere stijl dan in grote amerikaanse congressen of nationale congressen in Europa, waar mensen 'optraden' met een paper en na de presentatie weer verdwenen, en waar je in achterkamers moest 'antichambreren' voor een 'optreden'. Je kon er ook op rekenen dat je in een programma kwam te staan en vervolgens door de interventie van een hogere figuur die de boontjes van zijn mensen moest doppen weer uitgeknikkerd werd. EGOS daarentegen was egalitair, open en solidair in de samenwerking aan de verbetering van papers. Je was er soms na eigentijdse maatstaven spartaans ondergebracht, met z'n tweeen op een kamer b.v. in de Stichting De Baak te Noordwijk, in een opleidingscentrum van cooperatieve verenigingen of anderszins bescheiden. Een congreshotel werd toen met wantrouwen bekeken. Er was een soort padvindersgeest: Jongens, wij doen nieuwe dingen en we hebben die bourgeoise weelde en dat gedoe niet nodig.

Een van de bewakers van de geest van EGOS was Cor, lid van de oprichtingsploeg met David Hickson, Michel Crozier, Jean-Claude Thoenig, Renate Mayntz, Alfred Kieser, Franco Ferraresi, Flemming Agersnap en andere. In 1989 organiseerde ik zelf een Colloquium in Berlijn. De EGOS geest stond me steeds duidelijk voor ogen, en de belangrijkste waardering voor mijn werk was toen Cor in de slotbijeenkomst aan het einde opstond en zei dat je je als ouwe rot steeds afvraagt hoe een Colloquium vergeleken met verleden bijeenkomsten uit de verf kwam; dan zei hij letterlijk dat dit Colloquium beter was dan vroeger. Het was een van de belangrijkste uitingen van lof in mijn beroepsleven, maar het was ook kenmerkend voor zijn generositeit. Daar had je veel meer aan dan aan een lintje, precies omdat het volstrekt spontaan en openhartig besteed werd.

Aan de andere kant was Cor in zijn innerste ver van puur zachtmoedig. De Colloquium 1995 vond plaats in Istanbul, tegen de zin van Cor die eerder bij de Super-EGOS (de Coordinating Committee) had gelobbied tegen Istanbul, want Turkije was een land van staatsgrepen met een burgeroorlog, met folteren en andere staatkundige praktijken van willekeurige geweldsuitoefening. Hier was Cor duidelijk de standvastige, gereformeerd opgevoede mens die zijn lesje had geleerd in de bezetting. De meerderheid onder de Super-EGOS was toen voor Istanbul. Ikzelf was er toen ook voor, en het nut van internationaliteit voor Turkije was zeker niet te verwaarlozen. Misschien helpt doordringing door internationale contacten effectief bij de genoemde perikelen. Het mooie met Cor was nu dat je kon overeenkomen om op een punt te verschillen van mening, en wanneer je dat op een beschaafde manier deed, dan was er geen vuiltje aan de lucht. Nadat we in EGOS Parijs 1993 verschilden van mening over de aanbesteding aan Istanbul, hadden we toch samen na afloop van de Colloquium een buitengewoon prettig etentje, met z'n tweeen. Dat was bij hem de vereniging van standvastigheid en verdraagzaamheid die de mensen waardeerden. Het ging niet om oppervlakkigheid of lichtvoetig opportunisme maar, om in de geest en letter van zijn afscheidscollege te praten, om de moeilijke combinatie van de dialectisch complementaire en confligerende ethieken van overtuiging en verantwoordelijkheid.

Toen het tijdschrift Organization Studies opgericht werd en vanaf 1980 verscheen, was Cor de eerste Book Review Editor. Hij zorgde ervoor dat een traditie ontstond van degelijke reviews van goede en belangrijke boeken uit verschillende landen en in verschillende talen. Dit vergde een actief beleid: Uitzoeken van boeken, aanspreken van geschikte reviewers, bij voorkeur uit andere landen en talen dan die van het boek, plaatsing van reviews een beetje overeenkomstig met de artikelen in het nummer, en vormen van netwerken die je op de hoogte stelden van wat in een taalgebied belangrijks verscheen. Cor gaf echt om boeken, iets dat thans helemaal verwaarloosd wordt; op sommige faculteiten wordt zelfs het schrijven van een boek niet beloond als onderzoeksprestatie. Nu heeft het tijdschrift drie book review editors, maar er verschijnen nauwelijks meer reviews. C. Northcote Parkinson, een auteur die nauwelijks iemand meer kent, zou het een fantastisch voorbeeld van buitenissige bureaucratisering vinden dat zijn voorbeeld van steeds meer admiraals en steeds minder oorlogschepen verslaat: Nu hebben ze in OS een ratio van admiraals tot schepen die het oneindige benadert. Het zou een goede lach opleveren voor Cor, had hij dat meegemaakt, als voormalige dienstplichtige in de Koninklijke Marine en leidinggevende in OS.

Echter, het gaat hier niet vooral om bureaucratisering maar om functiebejag gespeend van substantie. Als je maar op een lijst staat met internationale functies die je aan de decaan kunt laten zien in het gesprek over onderzoekstijd, dan is het belangrijkste gedaan. Dat was heel anders in de taakopvatting van Cor; als hij een functie overnam dan maakte hij er werk van. Op deze manier bracht hij tot stand wat David Hickson, in zijn brief aan mij met de benoeming als book review editor in 1989, 'een trotse traditie van nederlandse book review editors' noemde. Je gaf om boeken, en je zorgde ervoor dat interessante boeken en prikkelende reviewers samen de weg vonden naar het tijdschrift. Toen had je één admiraal per ongeveer 30 reviews per jaar, plus een aantal kortere book notes. Aan het begin was de managing editor, Karen Tkach, gevestigd bij uitgeverij Mouton, en die gekocht was door de uitgeverij Walter de Gruyter in Berlijn. Cor had een band met Mouton en Karen Tkach, en de opvolgende managing editor, Susan van der Werff, zat ook in Nederland (Hilversum). Vandaar de nederlandse localisering van de book review editor, want die moest altijd langs komen op kantoor, of vervolgens in de woonkamer van Susan van der Werff, teneinde stapels van boeken en catalogi te bekijken, boeken en reviewers te selecteren en ingezonden reviews door te nemen. De logistiek van het reviewbedrijfje was toe nog niet electronisch ondersteund. Met de electronisering van het tijdschrift en de ontnederlandsinging van de book review functie, ergens na Arjen van Witteloostuijn en Georg Schreyögg – wel duitser maar toen gevestigd in Hagen, niet ver van de grens - als book review editors, ging ook de functie teloor. Bij gebrek aan mogelijkheid voor multivariate analyse zie ik nu af van causale interpretatie.

Terug naar het begin: Cors werkdrift was niet altijd zonder problemen. Zo overtuigd was hij van de belangrijkheid van het werk dat hij meer reviews bestelde dan volgens de overeenkomst afgedrukt mochten worden. Ik had toen ook een besteld review afgeleverd, van Stephen Wood (ed., 1982), zonder twijfel een belangrijk boek. Na een half jaar stilte vroeg ik wat er aan de hand was en kreeg te horen dat OS alleen nog maar reviews van echte 'trail blazers' kon publiceren. Ja, ook dat gebeurde. Stephen Wood, iemand die ik kende en die geestdriftig was, zat me vervolgens te bewerken om de review elders geplaatst te krijgen, alhoewel ik voor de perikelen niet verantwoordelijk was. Uiteindelijk lukte dit, maar tot overmate van tegenspoed ging het gevonden tijdschrift failliet. In ieder geval toont dit alles aan dat OS volgens de stichter van de reviewing traditie nooit goede reviews te kort kwam. Dit is in ieder geval veel beter dan de tegenwoordige stand van zaken, van een marine met admiraals zonder schepen.

De marine brengt me tot een ander talent van Cor, alhoewel het verband indirect is: Op de Colloquia van EGOS nodigden de organisateurs van de conferentie de hoofdsprekers en de convenors samen met de Super-EGOS uit voor een receptie of een diner. Ook Walter de Gruyter, de uitgeverij, en haar opvolger Sage hadden de gewoonte om de editors en de editorial board te vergasten op een diner. In 1997 te Budapest vroeg iemand Cor of hij niet nog een after dinner speech wilde houden, iets wat hij altijd vrolijk, humoeristisch en met de verdiende dank aan de organisateurs deed. Deze keer kroop er een tik van de nederlandse botheid in die hem ook niet vreemd was. Voordat hij in Budapest het land Hongarije, zijn mooie hoofstad aan de Donau en de geweldige Colloquium schilderachtig in beeld bracht, liet hij een opmerking vallen: Hij kon nooit begrijpen hoezo het staatshoofd van het land in de tijd tussen de wereld oorlogen en gedurende de tweede een admiraal was, een zekere Admiraal Horthy, want het land lag toch niet aan zee. Waarvoor had een land-locked staat een marine nodig? Het was een echt Amsterdamse mop, en iedereen vond hem geestig; alleen Karoly Balaton, een van de plaatselijke organisateurs, kon er niet om lachen.

Wat de mensen niet wisten of waar ze geen rekening mee hielden, was dat tot 1918 Hongarije wel een marine had; want het toenmalige habsburgse rijk Oostenrijk-Hongarije had een lange kust aan de Middellandse Zee, de vooral kroatische kust, en Kroatie was hongaars, met een bekende oorlogshaven in Triest, toen oostenrijks. Admiraal Horthy had niet alleen gevaren maar was ook de held van een zeeslag in 1917, tegen een vloot van de Geallieerden. Hij was a.h.w. de hongaarse Michiel de Ruyter van zijn tijd. Dat hij zijn rang niet verloor met het verlies van de kust in Kroatie en de marine, getuigt van de omgang met een held. Verder, en dit zou Cor erg geapprecieerd hebben, was Admiraal Horthy ook nog Protestant! Het oostelijke deel van het land omstreeks Debrecen is door protestanten bevolkt, calvinisten ook, die zich niet laten voorstaan op goede contacten met Nederland. In Debrecen zie je standbeelden van reformatoren en rebellen die er uit zien alsof ze in Genève, Dordrecht of Leiden stonden. Ook dat bestaat! Sterker nog, dat de protestanten in dit landsdeel hun godsdienst konden handhaven, is vooral te danken aan de Turkse bezetting; terwijl de Habsburgers de reformatie, toen ter tijd net zo verspreid in Hongarije als in Nederland, in de rest van het land te vuur en te zwaard terug draaiden, konden de protestanten onder de Turkse bezetting zich handhaven. Voor het Ottomaanse rijk deed het er niet toe wat voor Christenen je onder je hoede had, en als het andere Christenen waren dan die katholieken bij de vijand, dan was dat mooi meegenomen. Wanneer de Habsburgers weer de macht overnamen in dit landsdeel, was de vrijheid van godsdienst zodanig erkend dat de reformatie overeind bleef. Ook dat is weer een bezettingsverhaal, en ik denk Cor was daar met genoegen op ingegaan, had hij de tijd gehad. Het zet een gereformeerd opgevoede mens echter wel aan het denken! Want de goede zaak – de reformatie – had baat bij bezetters die nog veel vreemder waren dan de Habsburgers die de Hongaren zelf het land in gehaald hadden. Misschien was ook de hulp die de Turkse bezetters boden aan de reformatie achteraf bekeken een beetje het Colloquium in Istanbul waard. Tenminste zou je dit kunnen stellen, in de geest van Cors after-dinner speeches, als je die roemruchte waardeneutraliteit van de neokantianen voor een moment achterwege laat. Let wel: Ook hier probeer ik op z'n Lammersiaans door te denken.

De anecdote doet geen afbreuk aan het feit dat Cor Lammers aldoor een belangrijke role vervulde, ook nadat hij zijn functies in EGOS en in OS had overgedragen, een rol van welwillende, alerte en geestige bewaking van het keurmerk van EGOS, van open en verdraagzaam omgaan met elkaar, van constructieve discussie en intellectuele nieuwsgierigheid, en ook van de volken verbindende kracht van deze waarden na de funeste binneneuropese oorlogen en de koude oorlog. Dat dit alles een uitdaging was voor een noeste werker en dat zelfvertoon er niet toe deed, dat was ook duidelijk. Ik was met veel collegae blij dat we hem voor ogen konden hebben, toen we zelf een rol in EGOS of OS kregen. Daar komt de slotsom van deze paper op neer. Een andere markante samenvatting over de internationale rol van Cor Lammers, geschreven door Jean-Claude Thoenig, ook een ouwe EGOS-rot, is te vinden op de website van EGOS (www.egosnet.org), in de rubriek About EGOS en vervolgens Honorary Members. In 2001 werd Cor Lammers onderscheiden met „Honorary Member“ door de vereniging, de derde die de onderscheiding kreeg, na David Hickson en James March. Meer uitleg is niet nodig over de waarde van de onderscheiding.

De persoonlijkheid

De lezer moge me de simpele uitspraak nazien: Het succes van een organisatie en een beweging hangt er van af dat op het juiste moment de juiste mensen op de juiste plek belanden of geplaatst worden. De meeste mensen zijn niet oneindig vormbaar, en in een verbond van wetenschappers van rang en stand is vorming gek genoeg bijna uit den boze. Vooral in een gentlemen's club die EGOS heel sterk was, is een arm's length relationship sterk aanwezig. Des te meer ben je afhankelijk van de qualiteit van de mensen die je als onveranderlijk veronderstelt. Ook dit is weer een eigenaardige dialektiek: Ook sociologen gaan in de praktijk in tegen hun basisveronderstellingen en worden tot individualistische reductionisten en relationalistische bilateralisten.

Daarom besteed ik ter afsluiting aandacht an de persoonlijkheid van Cor Lammers, want zonder die hadden we de cultuur van 'de club', zijn ontwikkeling en die van het wetenschappelijke vak niet gehad. De persoonlijkheid dient echter te worden gezien binnen de cultuur van de samenleving waar ze uit voortkwam. Het is sowieso verbazingwekkend hoe gemakkelijk je het gedrag van mensen binnen organen van EGOS of OS kon verklaren door eenvoudigweg Hofstede over interlandelijke cultuurvergelijking te lezen en met de resultaten enigszins intelligent om te gaan. Ik heb in mijn tijd in EGOS veel ruzie en disfunctioneren gezien, van sluimerende tegenstellingen tot bijna slaande ruzie. Je denkt dat verlichte wetenschappers die ook nog de oorsprong en uitwerking van verschillen tussen landsculturen kennen, dat die toch in hemels naam geacht zouden kunnen worden hun kennis toe te passen, binnen internationale verenigingen en de wetenschappelijke bedrijvigheid. Van de ruzies en gevallen van disfunctioneren die ik heb beleefd, waren de meeste mede veroorzaakt door miscommunicatie, op grond van onwetendheid over cultuur- en gedragspatronen. Iedereen haalt Hofstede aan, maar in de praktijk is niets zo ongebruikelijk als toepassing van zijn inzichten.

Cor Lammers moest je in de eerste instantie ook op internationaal vlak zien als Nederlander, van boven de rivieren en gereformeerd opgevoed, als open en soms brutale Amsterdammer met buitengewone vermakelijkheid naast de trouw aan bepaalde beginselen. Iedereen dacht dat een beetje te weten, maar je moest het in de praktijk toepassen. Met name de afwisseling tussen inschikkelijkheid en trouw aan beginselen, en tussen beleefdheid en botheid, komt voor veel buitenlanders verwarrend over. Eigenaardig genoeg had ik de beste verstandhouding met hem gedurende de jaren 1993-97, na een dinertje aan het einde van de EGOS Colloquium in Parijs 1993. Toen werkte ik in Berlijn, hij vond de ontwikkelingen in Berlijn ook interessant, en na de dood van mijn eerste vrouw werden de telefoontjes steeds persoonlijker. We hadden het b.v. ook over godsdienstsociologie, theologie en een bijdrage die hij had geschreven voor een collega in dit vak.

Cor zag ik een beetje als familie in de geest, op grond van soortgelijke godsdienstige opvoeding. Maar hij was behoorlijk agnostisch. Daarom noem ik, ook rekening houdend met zijn wetenschappelijk werk en de omgang met vakgenoten, als eerste specifieke karakteristiek die van een 'ongelovige gereformeerde'. In de wetenschap vertaalde zich dat in neokantiaanse standvastigheid. Immanuel Kant was zeker ook agnostisch, maar zijn vader was een piëtistische predikant, en of de zoon nu aan God gelooft of agnostisch wordt, doet er ten opzichte van de principiele trouw aan vertrekpunten niet toe. De standvastigheid kwam echter gematigd over, bij Cor en bij Kant. Kinderen van calvinisten en pietisten zijn geboren en getogen rationalisten. Ze hebben een afkeer van dialectiek en fenomenologie; die twee zijn veel meer katholiek of luthers van aard. Misschien de beste uiting van deze tegenstelling in de geschiedenis van de wetenschap was de animositeit tussen Schleiermacher de calvinist en Hegel, de moderne dialecticus met lutherse wortelen. Ook vroomheid kan bijzonder rationalistisch zijn, en zoals we van Max Weber weten, waren de 'monniken de eerste rationalisten'.

Alhoewel Lammers de auteur steeds meer gefascineerd raakte door dialectische relaties, met de typische samenloop van conflict en complementariteit van tegengestelde types, zoals Gesinnungsethik en Verantwortungsethik, en ondanks dat hij op dit vlak boeiend opereerde, ging hij minder welwillend op bijbehorende theorie in. Bepaalde belangrijke mensen in de organisatietheorie zijn 'om gegaan', of werden bekeerd tot een andere aanpak; Wolf Heydebrand werkte aan het begin aan contingentietheorie en ontwikkelde vervolgens tot gecommitteerde voorvechter van de politieke economie en met name Marx; Lou Pondy schreef aan het begin artikels vol met ingewikkelde formules, net als die van neoklassieke economen, en werd vervolgens een van de grondleggers van fenomenologisch getinte theorie. Niet zo Lammers! Je kon met hem over alle onderwerpen praten, en wel op een verstandige manier, als je maar voorzichtig opereerde bij alle theorie die aanknoopte bij de verstehende kant van Weber en verder ging met fenomenologie en dialektiek. Hij bleef getrouw aan zijn benadering, maar hoe kunnen we dan de consistente kern van zijn werk typeren?

Dit leidt tot een tweede specifieke karakteristiek, van de historische comparativist. Daar komt zijn werk op neer. De impetus van de organisatietheorie in de zeventiger jaren was, onder de invloed van Peter Blau en de Aston Group, gericht op systematieke vergelijking. De specifieke invulling van dit programma was bij Lammers de historisch-institutionalistische vergelijking. Hier was hij veel minder dan in zijn bijdrage in de algemene sociologie functionalist. Want functies bleken bij nader inzien veel meer institutioneel en historisch getint te zijn dan Talcott Parsons met zoveel woorden over systemen en types van handelingen deed voorkomen. Zijn belangrijkste rol naast het pionierswerk over atypische onderwerpen zoals muiterij, stakingen en bezetting, was zeker de conceptuele en methodische bruggenbouw tussen vragenlijstonderzoek met individuen als respondenten en het 'meten' en verglijken van geobjectiveerde instituties, iets dat vooral zijn uiting vond in IDE (1981).

Eigenlijk had Lammers precies de belangstelling en intellectuele gesteldheid die pasten bij de klassieke organisatiesociologen, zoals Philip Selznick met zijn schitterend verhaal over de Tennessee Valley Authority, Alvin Gouldner met zijn analyse van de verandering van een gipsfabriek, weg van een organisatietype dat Lammers vervolgens 'traditioneel' noemde naar eentje dat 'bureaucratisch' was, want gestoeld op rationeel-legale beheersing. Aan concreetheid rijke organisaties boeieden hem.

Aan de andere kant was de nieuwe geest van de tijd: Theorievorming vergt vergelijking, en vergelijking vraagt om meer cases of een grotere n voor een steekproef. Maar zijn heart and mind liet de qualificatie van complexe verschijnsels, in plaats van de quantificatie van gestandaardiseerde gegevens, nooit los. Je zou kunnen zeggen dat dit de weg van het soort neokantianen is die een verbinding tussen nomothetische theorie en idiografische analyse niet graag loslaten. Dit vind ik buitengewoon actueel. Want zodanig kun je veilig stellen dat je niet voorbij gaat aan de concrete bijzonderheden van historisch gesitueerde verschijnsels, en dat je ook niet vast loopt in de bijzonderheden van specifieke gevallen. Dat is dan de beste manier om systematiek – een fatsoenlijke typologie – en valide omgaan met specificiteit – het Weberiaanse begrijpen van de vertakkingen van handelen en bijbehorende zingeving of handelingsmotieven – goed overeen te doen komen. Ook al ben je socioloog pur sang, toch moet je verstandhouding plegen met andere disciplines. Dat is hem inderdaad gelukt.

De derde specifieke karakteristiek die ik wil noemen is de onconventionele traditiestichter en traditiebewaarder op het internationale professioneel vlak. Deze rol vond niet dermate zijn neerslag in schriften maar vooral in functiebeoefening en in de herinnering van collegae. Cor had een markante bewustzijn van traditie op een geheel eigen manier, die ik het beste met een citaat van iemand kan omschrijven die ik hier omwille van politieke correctheid niet noem. Hij zou hebben gezegd dat hij niet goed wist hoe je de geldige traditie moest omschrijven of definieren. Maar één ding wist hij zeker: Wat we nu doen, dat is over dertig jaar traditie, wat we ook doen.

Op die manier is ook Cor Lammers om gegaan met de verantwoordelijkheid voor de professie. Je moest trachten om iets op den duur zinvols tot stand te brengen. Vooral moest je niet de wiel heruitvinden, want dan liet je niets markants achter, alleen maar een keten van vrijblijvende herhalingen zonder leefbare innovatie. Je moest nooit dogmatisch zijn, wel behoudend voorzichtig, met het oog op verantwoording voor de komende generatie. Het voorrecht van navolgende generaties is om inzichten van de vorige generatie naast zich neer te leggen, ook in de wetenschap, en ze maken er soms al te gretig gebruik van, ze vallen gemakkelijk voor nieuwerwetse modegolven. Je moet daarom de vaktraditie zuinig houden, inzichtelijk concentreren en op persoonlijke manier overdragen. Dat is ook wat zijn werk in de organisatietheorie uitstraalt, dat maakt het aantrekkelijk voor de echte kenner. Deze hoeft het niet met alles meteen ééns te zijn. Maar hij heeft er steeds baat bij, door zelf verder door te denken. Als hij dat niet deed, was hij ook geen echte kenner. Via deze weg blijft een auteur meetellen.

Het gevaar is steeds dat mensen, vooral jonge wetenschappers, slachtoffer worden van de positivistische illusie, dat het heil ligt in generalisatie in piepkleine theoretische hokjes, ontheven van contextuele specificiteiten van plaats en tijd. We hebben mensen nodig die organisatie van empirisch dichtbij kennen, ook historisch-institutionalistisch kunnen vergelijken en diverse theorieen kunnen volgen. Deze inspiratie krijgen we steeds nog door het lezen van het werk van Cor Lammers.

Literatuur

Burrell, Gibson en Gareth Morgan (1979) Sociological paradigms and organizational analysis. Oxford: Heinemann.

Child, John (2002) 'Strategic choice'. In A. Sorge (red.) Organization, 102-126. London: Thomson Learning.

Clegg, Stewart R., Cynthia Hardy en Walter R. Nord (red., 1996) Handbook of Organization Studies. London: Sage.

Daft, Richard L. (2001) Organization theory and design, 7th edition. Cincinnati: South Western en London: Thomsosn Learning.

Goodijk, Rienk (2008) Herwaardering van de Rijnlandse principes. Over governance, overleg en engagement. Assen: Van Gorcum.

Hofstede, Geert en M. Sami Kassem (red., 1976) European contributions to organization theory. Assen: Van Gorcum.

IDE (Industrial Democracy in Europe Research Group) (1981a) Industrial democracy in Europe. Oxford: Clarendon Press.

IDE (Industrial Democracy in Europe Research Group) (1981b) European industrial relations. Oxford: Clarendon Press.

Lammers, Cornelis J. (2003) 'Occupation regimes alike and unlike. British, Dutch and French patterns of interorganizational control of foreign territories'. Organization Studies 24: 1379-1403.

Lammers, Cornelis J. (1995) 'Book review essay: Wolfgang Sofsky, Die Ordnung des Terrors: Das Konzentrationslager (The order of terror: The concentration camp)'. Organization Studies 16: 139-156.

Lammers, Cornelis J. (1990) 'Sociology of organizations around the globe. Similarities and differences between American, British, French, German and Dutch brands'. Organization Studies 11: 179-205.

Lammers, Cornelis J. (1988) 'The interorganizational control of an occupied country'. Administrative Science Quarterly 33: 438-475.

Lammers, Cornelis J. (1983) Organisaties vergelijkenderwijs. Ontwikkeling en relevantie van het sociologisch denken over organisaties. Utrecht: Het Spectrum.

Lammers, Cornelis J. (1981a) 'Contributions of organizational sociology Part I: Contributions to sociology – a liberal view'. Organization Studies 2: 267-286.

Lammers, Cornelis J. (1981b) 'Contributions of organizational sociology Part II: Contributions to organizational theory and practice – a liberal view'. Organization Studies 2: 361-376.

Lammers, Cornelis J. (1969) 'Strikes and mutinies. A comparative study of conflicts between rulers and ruled. Administrative Science Quarterly 14: 558-572.

Lammers, Cornelis J. (1967) 'Power and participation in decision-making in formal organizations'. American Journal of Sociology 73: 201-216.

Lammers, Cornelis J., en David Hickson (red., 1979) Organizations alike and unlike. International and interinstitutional studies in the sociology of organizations. London: Routledge and Kegan Paul.

Maurice, Marc en Arndt Sorge (red.) 2000 Embedding organizations. Societal analysis of actors, organizations and socio-economic contexts. Amsterdam: John Benjamins.

Maurice, Marc, Arndt Sorge en Malcolm Warner (1980) 'Societal differences in organizing manufacturing units. A comparison of France, West Germany and Great Britain.’ Organiza tion Studies 1: 59-86.

Sorge, Arndt (2006) 'Organizing socially constructed internal and external resources'. Journal of Institutional and Theoretical Economics 162: 172 – 193.

Vroom, Cas (2002) 'Organization structure'. In A. Sorge (red.) Organization, 54-67. London: Thomson Learning.

Wood, Stephen (red., 1982) The deskilling of work? London: Hutchinson.